© Stad Leuven

© Stad Leuven

© Jan Kempenaers

© Jan Kempenaers

© SBA

© SBA

© SBA

© SBA

© SBA

© SBA

© Jan Kempenaers

© Jan Kempenaers

© Johnny Umans

© Johnny Umans

© Jan Kempenaers

© Jan Kempenaers

© Jan Kempenaers

© Jan Kempenaers

Museum M (voorheen “Vander Kelen-Mertens”), Leuven

Het vroegere museum Vander Kelen-Mertens werd uitgebreid en gereorganiseerd in een algehele structuur. “M” van Museum Leuven bewaart de bestaande collectie, stelt ze tentoon en brengt ze in relatie met hedendaagse kunst en tijdelijke tentoonstellingen.

De toevoegingen op de site ordenen en differentiëren de stedelijke ruimte in een aantal stedelijke kamers. Hierdoor wordt de site vanuit verschillende benaderingen op een eigen wijze ontsloten en in relatie gebracht met het stadsweefsel. Het stadsnetwerk geeft een specifieke aanzet naar de museumontwikkeling en het museum toont zich op zijn beurt op een eigenzinnige wijze aan de stad.
De ontsluitingen ontmoeten elkaar bij de centraal gelegen eik in de binnentuin. De museumtuin is ontwikkeld als ontmoetingsplaats en is, samen met de verschillende doorsteken, opgenomen in een netwerk van informele passages. Deze doorgangen zijn erg specifiek voor Leuven, waar diverse binnenplaatsen van colleges en universiteitsgebouwen verweven zijn met het stadsweefsel.

De hoofdingang aan de Vanderkelenstraat ligt een half niveau lager dan de straat. De verlaging van de inkom garandeert een belangrijk doorzicht naar de achterliggende museumtuin en laat de nieuwe museumzalen aansluiten op vloerpassen van de bewaarde gebouwen: het academiegebouw en de woning Vanderkelen-Mertens. De bestaande museumvloeren van deze gebouwen zijn horizontaal verbonden en uitgebreid met twee nieuwe vleugels. Deze gelaagde organisatie laat tentoonstellingen toe in verschillende gebouwtypes, bestaand en nieuw. Oude en hedendaagse kunst krijgen geen bepaald gebouw, oud of nieuw, toegewezen. Beiden kunnen dus geplaatst worden in een hedendaagse of in een klassieke context. De curator krijgt verscheidene tentoonstellingsmogelijkheden, van integratie tot displacement.

Als een onderliggende voedingsbodem voor de museale ruimten, wordt het depot maximaal uitgespreid over de site. Op twee strategische punten worden de museale ruimtes bevoorraad, vanuit het depot, of vanuit de workshops.

Door deze horizontale organisatie verkrijgt men een grote verscheidenheid aan mogelijkheden en interacties. Op het parcours worden doorzichten naar andere lagen en uitzichten op de stad en de site gemaakt. Deze door- en uitzichten zijn, behalve omkadering van de omgeving, telkens lichtpunten op het parcours. De bezoeker wordt door de tentoonstelling geleid van lichtpunt tot lichtpunt en ontvangt telkens andere perspectieven.

“De eerste betrachting is het ontwikkelen van een museum als een plaats waar de kunst kan gedijen; voor het genot van de kunst en niet voor de opsluiting ervan.”